Het Jodendom
Ontstaan in het nabije-oosten, op een woelig trefpunt van culturen. De eerste aartsvader, Abraham, kwam uit Ur (het huidige Iran). Een deel van de stammen verbleef lange tijd in Egypte. Rond 1300 v.Chr. volgde onder het leiderschap van Mozes de terugtocht naar Palestina. De Israëlieten werden ter plaatse steeds machtiger, getuige de instelling van het koningschap onder Saul. David en Salomon waren zijn opvolgers. Het rijk splitse zich later in een noordelijk deel (Israel) en een zuidelijk deel (Juda).
In 722 v.Chr. wordt Israel bezet door de Assyriers en in 586 v.Chr. valt Juda voor de Babyloniërs. De tempel bestaat niet meer. Een dramatische maar betekenisvolle tijd breekt aan, de Babylonische gevangenschap, waarin het volk geestelijk op de been wordt gehouden door de profeten (Jesaja).
Na de Babyloniërs komen de Perzen. De joden keren (gedeeltelijk) terug naar Palestina en de tempel wordt herbouwd. Na de Grieken komen de Romeinen als nieuwe overheersers. Jeruzalem wordt in 70 na Chr. Belegert en de tempel verwoest. De joden raken verspreid over het Romeinse rijk (de diaspora) waar ,in later tijden, nieuwe verbanningen (Spanje, Potugal) en progroms (Midden- en Oost Europa) voor diepe treurnis zorgen. De synagoge wordt voortaan de plaats van samenkomst en beleving van de godsdienst.
De holocaust betekent een nieuwe slag voor het jodendom. Een geheel nieuwe situatie ontstond met de stichting van de staat Israël in 1948. Voor het eerst sinds 19 eeuwen hebben de joden hiermee weer een eigen huis.
Het is opmerkelijk dat de Joodse volk, omgeven door zoveel volkeren die meer goden kenden, toch altijd heeft vastgehouden aan de ene God, in medeklinkers JHWH, aanvankelijk zonder daarmee andere (mindere) goden voor andere volkeren uit te sluiten. Pas na de ballingschap is er consequent sprake van één God.
In de religieuze wereld van de oudheid staat het Joodse volk geheel alleen in z'n beleving van de ene en persoonlijke Macht die enerzijds ver boven het menselijke is verheven maar anderzijds toch met de mensen en hun geschiedenis bezig is.
Het Christendom
Het Christendom is ontstaan binnen de Joodse geloofsgemeenschap als een opwekkingsbeweging die zich verzette tegen het al te wettische karakter van toenmalige Jodendom. De Essenen (zie ook onder 'Jodendom' zochten het eerder in de afzondering, zoals ook Johannes de Doper dit deed. Het is waarschijnlijk dat er bepaalde lijnen liepen via Johannes de Doper naar de eerste Christengemeenschap. De bezetting door de Romeinen was een andere reden dat het gistte in de toenmalige Joodse gemeenschap en de roep om de komst van de Messias aan de orde was.
Jezus werd geboren uit betrekkelijk arme ouders, bleef ongehuwd en zocht op zijn dertigste levensjaar de openbaarheid op om zijn opvattingen over de leer duidelijk te maken. Reeds na drie jaar kwam er een einde aan zijn actieve leven en werd hij bewust vernederend ter dood gebracht. Met Jezus van Nazareth treedt een man naar voren die zich enerzijds zeer aan de Joodse gebruiken wilde houden maar anderzijds nadrukkelijk en soms provocerend de vrijheid nam daar ter wille van de naaste van af te wijken.
Zijn volgelingen, waarvan hij er twaalf tot apostel had benoemd, melden de verschijning van hun Heer en kwamen enkele weken na de laatste verschijning (Hemelvaart) zijn dood tot het besef dat Hij met hen voortleefde. Na een enerverende bijeenkomst (Pinksteren) waarbij ook zijn moeder Maria aanwezig was, trad de groep voor het eerst zelfbewust naar buiten. Vanaf dat moment is er sprake van Jezus als de Christus (= de Messias in het hebreeuws).