pecunia non olet
(geld stinkt niet)
Ruilhandel
In de prehistorie was er geen geld, de mensen ruilden gewoon alles, bijv. een koe tegen tarwe of een everzwijn tegen een varken. Ze hoefden niks te kopen. Maar de mensen waren allemaal ergens anders goed in. De één bakte veel brood: die werd bakker, de ander smeedde dingen, die werd smid. Maar de bakker had niet telkens nieuwe pannen en potten nodig, de smid wel elke dag brood. De smid bedacht: als ik hem nou eens een koe geef voor een halfjaar brood. En zo werd vee een soort betaalmiddel.
In andere delen van de wereld werden heel andere betaalmiddelen gebruikt, waaronder veel vreemde dingen, bijvoorbeeldig ivoor of zout. Maar ook met vogelveren, enorme ronde stenen en zelfs menselijke schedels werd betaald. Schelpen waren ook een bekend betaalmiddel: in Azië werden kauri’s gebruikt. Dat zijn een soort schelpen. In Mexico gebruikten ze cacaobonen als geld, in Uganda bananenzaadjes, in Angola blokken hout en Guatemala eieren.
Het ontstaan van munt en papiergeld
Geld is, net als bijvoorbeeld het woord vergelding, verwant
aan "goud" en van dat woord is het afgeleid.
in tempels en paleizen werd vroeger meestal goud aangetroffen. Je treft het nauwelijks aan bij
eenvoudige mensen tenzij als amulet. Overigens waren deze mensen veelal nog slaaf en
geheel zelfvoorzienend, zodat zij geen enkele behoefte hadden aan goud als waardemeter
en ruilmiddel. Als mensen goud in hun bezit hadden,
dan diende dit dus vooral als amulet of om bij gelegenheid te worden geofferd.
Pas in een later stadium ontdekken mensen dat dit goud een uitstekend middel is om verschillen in waarde uit te drukken.
Handelaren gaan goud als "geld", gebruiken. In de middeleeuwen werd een volgende ontwikkelingsstap gedaan.
Het goud was namelijk wel gemakkelijk als een ruilmiddel te gebruiken, maar het
kon helaas ook makkelijk geroofd worden. Italiaanse kooplieden kwamen voor het eerst
op de gedachte goudroof te voorkomen door in de plaats van goud een waardepapier mee
te geven waarop stond, dat de bezitter van het papier, gerechtigd was tegen inlevering
van dit waardepapier bij een "medebankier" of "collega" de tegenwaarde in goud weer in
ontvangst te nemen. De Bankiers
incasseerden uiteraard een bewaarvergoeding en een premie voor hun risico. De ’waardepapieren’ verrekenden zij onderling.
Goudtransporten waren op deze manier niet langer op grote schaal nodig.
Dit systeem werkte zo goed, dat de handelaren op een gegeven moment zelfs niet
meer naar de plaatselijke bankier gingen om hun waardepapier in goud om te zetten,
maar de waardepapieren rechtstreeks als betaalmiddel gebruikten. Hier ontstaat dus de eerste vorm van papier geld. In die tijd was het geld nog geheel waardevast, dus zonder de naderhand optredende waardevermindering ook wel inflatie.